bg-hero
VOOR ZIJ-INSTROMERS EN ONDERWIJSPROFESSIONALS

Praktische tips voor startende docenten en onderwijsondersteuners

Starten voor de groep

Voor het eerst of nog maar kort voor de groep? Dan komt er veel tegelijk op je af. Een les voorbereiden is één ding. Maar hoe neem je je plek in voor een groep? Hoe zorg je ervoor dat leerlingen of studenten niet alleen luisteren, maar ook echt aan het leren zijn? En wat doe je als iemand niet begint, weerstand laat zien of steeds opnieuw om hulp vraagt?

Daarom hebben we onze tips bij elkaar gezet rond onderwerpen die je in je werk tegenkomt. Je hoeft ze niet in een vaste volgorde te lezen. Kijk vooral bij het onderwerp waar jij op dit moment iets aan hebt.

Geen ingewikkelde theorie, maar praktische ideeën, kleine reminders en dingen die je in je eigen les of begeleiding kunt uitproberen.

Je plek innemen als docent

Wanneer je start voor de groep, ben je waarschijnlijk vooral bezig met je lessen en de inhoud van je vak. Toch gebeurt er nog iets anders. Leerlingen kijken naar jou. Wie ben je? Hoe werk je? Wat verwacht je? En wat gebeurt er als iets anders loopt dan afgesproken?

Een prettige en duidelijke plek innemen voor de groep helpt om daarna ook goed met leren bezig te kunnen zijn.

Je eerste les: wees gastheer én neem de leiding

Daar sta je dan. Voor het eerst voor deze groep.

Waarschijnlijk heb je goed nagedacht over wat je wilt vertellen. Misschien staat je presentatie al klaar en heb je voor de zekerheid meer voorbereid dan in één les past.

Begin toch niet meteen bij de inhoud.

Ontvang de leerlingen of studenten. Begroet ze, kijk ze aan en vertel kort wie je bent. Laat merken dat je zin hebt om met deze groep aan het werk te gaan. Vertel ook hoe je graag werkt en wat zij van jou kunnen verwachten.

En ga daarna vooral iets dóén wat bij jouw vak hoort. Een korte opdracht, een vraag, iets bekijken, bespreken of uitproberen.

Je eerste les hoeft niet perfect te zijn. Als de groep na afloop weet wie jij bent, hoe jullie gaan werken én al iets van jouw vak heeft ervaren, heb je een prima begin gemaakt.

Zorg dat leerlingen en studenten merken dat je ze ziet

In het begin komt er veel op je af. Nieuwe namen, lokalen, roosters, systemen, collega's en ondertussen gewoon lessen geven. Het is dus niet vreemd als je niet binnen een paar dagen alle namen kent. Maak er wel bewust werk van.

Begroet leerlingen bij binnenkomst. Kijk iemand aan wanneer je met hem of haar praat. Gebruik een naam niet alleen wanneer je iemand wilt corrigeren. En onthoud af en toe iets kleins.

"Hoe ging het op je stage?"
of:
"Vorige week vond je dit nog lastig. Kijk eens wat je nu doet."

Dat kost nauwelijks extra tijd, maar leerlingen merken het wel.

Je hoeft niet alles van iedereen te weten. Wel is het fijn als iemand merkt: mijn docent weet dat ik hier zit.

Maak duidelijk hoe jij graag met de groep werkt

"Dat weten ze toch wel?"

Misschien. Leerlingen weten waarschijnlijk best dat je niet door een uitleg heen hoort te praten en dat je zorgvuldig met materiaal omgaat.

Maar hoe jij graag met een groep werkt, weten ze nog niet.
Vertel daarom wat voor jou belangrijk is. Wat verwacht je bij binnenkomst? Wanneer kan er worden overlegd? Wat doe je als je hulp nodig hebt? Wat verwacht je wanneer iemand uitleg geeft?

Maak er liever geen lange lijst regels van. Kies een paar afspraken die echt helpen om prettig en goed te kunnen werken.
En kom erop terug als dat nodig is. Niet met veel gedoe. Gewoon rustig: "Dit hadden we anders afgesproken. Doe het nog even opnieuw."

Zo wordt steeds duidelijker hoe jullie samen werken.

Kijk niet alleen naar leerlingen, kijk ook naar je groep

In een nieuwe groep gebeurt van alles.
De een neemt gemakkelijk het woord. Een ander kijkt eerst de kat uit de boom. Leerlingen zoeken elkaar op, proberen uit wat kan en kijken ondertussen ook goed naar jou.
Dat hoort bij groepsdynamiek.

Kijk daarom niet alleen naar losse leerlingen. Kijk ook eens naar wat er tussen hen gebeurt.
Wie bepaalt veel? Wie blijft gemakkelijk buiten beeld? Durven leerlingen iets fout te zeggen? Wat gebeurt er wanneer iemand wordt uitgelachen? Hoe reageren ze wanneer ze moeten samenwerken?

Kijk ook naar je eigen invloed. Wat gebeurt er wanneer jij wacht? Wanneer je eerder ingrijpt? Of wanneer je iemand juist wat ruimte geeft?

Als iets steeds terugkomt, helpt het soms om niet alleen naar die ene leerling te kijken, maar naar de groep als geheel.

Gebruik je stem en lichaam bewust als je voor de groep staat

Voor een groep staan doe je niet alleen met woorden.

Waar sta je als je iets belangrijks vertelt? Kijk je de groep aan? Praat je rustig of steeds sneller? Geef je een instructie terwijl je ondertussen nog achter je laptop bezig bent?
Probeer daar eens bewust op te letten.

Wil je dat iedereen luistert? Ga dan staan waar iedereen je kan zien. Wacht even. Kijk rond. En begin pas daarna.
Wordt het rumoerig? Probeer dan niet automatisch harder te praten. Soms helpt het juist als jij rustiger wordt.

In onze opleidingen besteden we daarom ook aandacht aan de docent als presentator. Niet omdat je een voorstelling moet geven, maar omdat je stem, houding en plek in het lokaal invloed hebben op wat er gebeurt.

Laat zien waar leerlingen dit voor nodig hebben

"Waarom moeten we dit eigenlijk leren?"
Niet iedere docent wordt blij van die vraag. Toch is hij vaak helemaal niet zo gek.

Jij weet waarschijnlijk waarom bepaalde kennis belangrijk is. Je weet waar iets later terugkomt, welke fouten je ermee voorkomt of waarom iemand dit tijdens stage, bpv, een vervolgopleiding of later in het beroep nodig heeft.
Voor een leerling is die verbinding niet altijd zichtbaar. Maak hem daarom zichtbaar.

Vertel waar deze kennis wordt gebruikt. Leg een echte praktijksituatie voor. Deel een ervaring uit je eigen beroep. Of leg uit dat dit de basis is die nodig is om straks iets moeilijkers te kunnen.

Niet alles hoeft leuk te zijn. Maar weten waar je iets voor nodig hebt, helpt wel om er betekenis aan te geven.
Dat is ook verleiden tot leren.

Verleiden tot leren

Een goede les gaat niet alleen over wat jij wilt vertellen. Uiteindelijk moet er bij de leerling of student iets gebeuren.

Wat moet iemand leren? Hoe sluit je aan bij wat er al is? Hoe geef je instructie? En hoe maak je jouw vakkennis zo begrijpelijk dat een beginner ermee verder kan?

Begin je lesvoorbereiding bij wat zij moeten leren

Wie veel van zijn vak weet, heeft meestal ook veel te vertellen.
Zeker wanneer je vanuit een ander beroep het onderwijs instroomt. Je kent voorbeelden, hebt veel meegemaakt in de praktijk en kunt waarschijnlijk gemakkelijk uitweiden over dingen die jij interessant vindt.

Begin je voorbereiding toch ergens anders.
Vraag jezelf eerst af:
Wat moeten mijn leerlingen of studenten aan het einde van deze les beter weten, begrijpen of kunnen?

Als dat helder is, kun je bepalen wat daarvoor nodig is. Welke uitleg helpt? Wat moeten ze zelf doen? Welk voorbeeld maakt iets duidelijk? En wat kun je misschien gewoon weglaten?
Een volle PowerPoint is nog geen goede les.

Soms wordt een les juist beter als jij iets minder vertelt en leerlingen meer tijd geeft om met het belangrijkste aan het werk te gaan.

Laat zien waar leerlingen dit voor nodig hebben

"Waarom moeten we dit eigenlijk leren?"
Niet iedere docent wordt blij van die vraag. Toch is hij vaak helemaal niet zo gek.

Jij weet waarschijnlijk waarom bepaalde kennis belangrijk is. Je weet waar iets later terugkomt, welke fouten je ermee voorkomt of waarom iemand dit tijdens stage, bpv, een vervolgopleiding of later in het beroep nodig heeft.
Voor een leerling is die verbinding niet altijd zichtbaar. Maak hem daarom zichtbaar.

Vertel waar deze kennis wordt gebruikt. Leg een echte praktijksituatie voor. Deel een ervaring uit je eigen beroep. Of leg uit dat dit de basis is die nodig is om straks iets moeilijkers te kunnen.

Niet alles hoeft leuk te zijn. Maar weten waar je iets voor nodig hebt, helpt wel om er betekenis aan te geven. Dat is ook verleiden tot leren.

Bouw je les op rond het leren, niet rond wat jij wilt vertellen

Je hebt een uur les en vijf onderwerpen die je wilt behandelen. Dan lijkt het logisch om die netjes over zestig minuten te verdelen.

Bekijk het eens vanaf de andere kant.
Wat moeten leerlingen eerst begrijpen voordat ze verder kunnen? Waar moeten ze iets zelf proberen? Wanneer is een voorbeeld nodig? Op welk moment wil je weten of ze je nog volgen?

Misschien betekent dat dat je eerst iets uitlegt, daarna laat oefenen en pas vervolgens verdergaat. Of dat je één onderwerp laat liggen omdat er meer tijd nodig is om iets werkelijk te leren.

Een les is niet klaar wanneer jij alles hebt verteld wat op je lijstje stond.
Kijk bij je volgende voorbereiding eens waar je leerlingen zelf aan het leren zijn.

Kijk eerst wat leerlingen al weten en kunnen

Je begint met een nieuw onderwerp. Natuurlijk kun je meteen gaan uitleggen.
Maar misschien weten je leerlingen er al meer van dan je denkt.
Vraag het eerst eens.

Leg een praktijksituatie voor. Laat een foto, voorwerp of voorbeeld zien. Stel een paar vragen. Of laat iemand kort voordoen hoe hij iets zou aanpakken. Luister daarna goed.

Soms ontdek je dat een deel van je uitleg helemaal niet nodig is. Soms hoor je juist iets waarvan je denkt: dáár moeten we eerst naar kijken.

Leerlingen komen niet blanco je les binnen. Ze hebben eerdere lessen gehad, dingen meegemaakt, stagegelopen, ergens gewerkt of zelf al van alles geprobeerd. Gebruik wat er al is.

Maak zichtbaar wat jij als vakexpert bijna automatisch doet

Als je ergens goed in bent, hoef je over veel stappen niet meer bewust na te denken.
Je kijkt, kiest en handelt.

Voor een beginner is dat anders. Die ziet misschien wel wat jij doet, maar niet altijd waarom jij die keuze maakt.
Vertel daarom tijdens het voordoen af en toe wat er in je hoofd gebeurt.
"Ik controleer dit eerst, omdat…"
"Hier let ik op…"
"Ik kies nu hiervoor, want…"
"Als dit anders was geweest, had ik…"

Daarmee geef je niet alleen een handeling door, maar ook een stukje van jouw vakmanschap.
Zeker als zij-instromer neem je veel praktijkervaring mee. Vertraag af en toe bewust, zodat leerlingen kunnen zien wat voor jou inmiddels vanzelfsprekend is geworden.

Geef instructie in stappen die een beginner kan volgen

Je legt iets uit en denkt: duidelijker dan dit kan bijna niet.
Toch begint een leerling even later verkeerd.

Dat hoeft niet meteen te betekenen dat hij niet heeft opgelet. Misschien waren er gewoon te veel stappen tegelijk.
Kijk eens naar een instructie die je vaak geeft. Kun je hem opdelen?

Laat zien wat er moet gebeuren. Benoem de belangrijkste stappen. Doe een lastig onderdeel eventueel nog een keer voor. Laat leerlingen daarna beginnen en kijk waar het goed gaat en waar niet.
En probeer tijdens een instructie niet alles te vertellen wat jij over het onderwerp weet.

Een beginner heeft eerst nodig wat hem helpt om deze stap te zetten.
De verdieping kan daarna nog.

Vergeet de taal van je vak niet

Wie al lang in een vakgebied werkt, gebruikt allerlei vaktermen zonder daar nog bij stil te staan. Voor jou zijn die woorden heel gewoon geworden. Voor een leerling of student zijn ze dat niet altijd.

Soms lijkt iemand de inhoud niet te begrijpen, terwijl vooral een paar belangrijke begrippen nog in de weg zitten.
Leg vaktaal daarom uit op het moment dat die nodig is en laat leerlingen de woorden daarna ook zelf gebruiken.
Vraag tijdens een praktijkopdracht bijvoorbeeld niet alleen wat iemand doet, maar ook waarom. En laat iemand daarbij de taal gebruiken die in het vak hoort.

Een vak leren betekent ook dat je steeds beter leert praten over wat je doet.

Begin waar het kan bij de praktijk

In onderwijs gebeurt het nog gemakkelijk andersom: eerst een flink stuk theorie en daarna een voorbeeld uit de praktijk.

Probeer het waar dat kan eens om te draaien.
Begin met een situatie, handeling, probleem of opdracht die leerlingen herkennen uit een beroep, stage, bpv of andere praktijk. Bespreek wat er gebeurt en welke kennis nodig is om de situatie goed te begrijpen of er goed in te handelen.

Voeg daarna de theorie toe die daarbij helpt. Zo wordt theorie geen los stuk informatie dat geleerd moet worden omdat het nu eenmaal in het boek staat.

De kennis krijgt een plek.

Voor een vakexpert is dit vaak een heel natuurlijke manier van denken. De kunst is om die verbinding ook voor een beginner zichtbaar te maken.

Wie is je student?

Je geeft les aan een groep, maar die groep bestaat uit verschillende mensen. Ze brengen andere ervaringen mee, leren niet allemaal in hetzelfde tempo en reageren niet hetzelfde op wat jij doet.

Hoe beter je kijkt en luistert, hoe beter je kunt bepalen wat iemand van jou nodig heeft.

Kijk eens wat beter naar wie je voor je hebt

Na een tijdje ken je de namen. Maar weet je ook iets over de mensen achter die namen?

Wat houdt leerlingen bezig? Wat doen ze tijdens stage of bpv? Wat brengen ze al mee uit werk, thuis of eerdere opleidingen? Waar worden ze enthousiast van? En waar lopen ze tegenaan?

Je hoeft daarvoor geen uitgebreide vragenlijst af te nemen.
Luister naar wat er tijdens lessen langskomt. Stel af en toe een vraag en kom soms terug op iets wat eerder is verteld.

Hoe beter jij weet wie je voor je hebt, hoe gemakkelijker het wordt om een passend voorbeeld te kiezen, een goede vraag te stellen of te begrijpen waarom iemand ergens moeite mee heeft.

Niet iedereen heeft op hetzelfde moment hetzelfde nodig

De ene leerling kan na een korte uitleg zelfstandig verder. Een ander heeft nog een extra voorbeeld nodig.
Daar kun je rekening mee houden zonder voor iedere leerling een compleet andere les te ontwerpen.

Het zit vaak in kleine dingen.
De ene leerling oefent nog een keer samen met jou. Een ander kan verder. Iemand die de basis al beheerst, krijgt een moeilijkere situatie voorgelegd.

Kijk tijdens het werken wat nodig is.
Je voorbereiding geeft richting, maar de mensen voor je laten zien hoe het in deze les werkelijk loopt.

Soms wijk je daardoor wat af van wat je had bedacht.
Dat hoort erbij. Je bent aan het afstemmen.

Stel een vraag en geef ook tijd om na te denken

Je stelt een vraag. Het blijft stil. En voor je het weet, geef je zelf maar het antwoord.
Probeer eens iets langer te wachten.

Stel ook vragen waar een leerling werkelijk over moet nadenken:
"Wat valt je op?"
"Welke aanpak zou jij kiezen?"
"Waarom denk je dat dit gebeurt?"
"Wat zou er veranderen als…?"

En laat daarna de stilte even bestaan.
Een paar seconden voelen voor jou misschien lang. Voor degene die moet nadenken zijn ze soms precies nodig.

Komt er niets? Geef dan een kleine aanwijzing of laat leerlingen kort overleggen.
Niet iedere stilte in een les hoeft gevuld te worden. Soms wordt er gewoon gedacht.

Beschrijf eerst wat je ziet

"Hij is ongemotiveerd."
"Zij neemt haar opleiding niet serieus."
"Die leerling is gewoon lui."

Voor je het weet, heb je een verklaring bedacht voor gedrag dat je ziet.
Doe eens een stap terug. Wat zie je werkelijk?
"Je bent nog niet begonnen."
"De laatste twee opdrachten zijn niet ingeleverd."
"Je vraagt bij iedere stap opnieuw om hulp."

Daar kun je over praten.
Je mag duidelijk zijn over wat je verwacht. Maar het gesprek begint meestal beter bij iets wat werkelijk is gebeurd dan bij een conclusie over wie iemand is.

Kijk iets verder dan ‘hij wil gewoon niet’

Een leerling begint niet, haakt snel af of levert nauwelijks iets in. Misschien heeft hij er inderdaad geen zin in.

Maar kijk voordat je het daarbij laat nog even verder.
Begrijpt hij wat de bedoeling is? Kan hij de eerste stap zetten? Is de opdracht haalbaar? Weet hij waar hij dit voor nodig heeft? Heeft hij misschien zo vaak ervaren dat iets niet lukt dat niet beginnen inmiddels de gemakkelijkste uitweg is?

Vraag het gewoon.
"Ik zie dat je nog niet bent begonnen. Waar loop je tegenaan?"

Je kunt niet ieder motivatieprobleem oplossen.
Maar soms blijkt er iets in de weg te zitten waar jij als docent wel iets mee kunt.

Wie in je groep hoor je bijna nooit?

Sommige leerlingen vragen vanzelf je aandacht. Ze stellen vragen, zoeken contact of laten vrij snel merken wanneer iets niet lukt.

En dan zijn er leerlingen van wie je nauwelijks iets hoort.
Misschien gaat het uitstekend. Maar misschien zit iemand al een tijdje vast zonder dat het erg opvalt.

Loop daarom ook eens bewust langs bij een leerling die je de laatste tijd weinig hebt gesproken.
"Hoe gaat het hiermee?"
"Lukt het?"
"Waar ben je nu mee bezig?"

Blijkt alles prima te gaan? Mooi.

Je hoeft dus niet alleen aandacht te geven aan degene die het hardst roept.
Soms is het goed om bewust even naar de andere kant van het lokaal te lopen.

Vanuit regie voor de groep

Regie begint niet pas wanneer een groep onrustig wordt. Veel zit juist in wat je vooraf duidelijk maakt en hoe je je les organiseert.

En als het toch lastig wordt? Dan helpt het om rustig te blijven kijken naar wat er gebeurt en wat er op dat moment van jou als docent nodig is.

Kijk eens hoeveel gedoe je vóór kunt zijn

Sommige lessen voelen alsof je voortdurend aan het corrigeren bent.
"Begin nou."
"Telefoon weg."
"Pak je spullen."

Natuurlijk hoort corrigeren soms bij lesgeven. Maar kijk ook eens naar wat eraan voorafgaat.
Moeten leerlingen lang wachten voordat de les begint? Weten ze wat ze direct moeten doen? Liggen materialen klaar? Is duidelijk wat iemand doet als hij eerder klaar is? Hoe loopt de overgang van jouw uitleg naar zelfstandig werken?

Veel klassenmanagement zit in heel gewone dingen.
Kijk eens naar een moment waarop het regelmatig onrustig wordt. Misschien kun je daar vooraf al iets anders organiseren.

Kom terug op wat je hebt afgesproken

Je zegt dat iedereen over vijf minuten aan het werk moet zijn.
Tien minuten later zijn drie leerlingen nog steeds niet begonnen.

Als afspraken regelmatig verdwijnen zodra de les verdergaat, merkt een groep dat snel.
Kom er dus op terug. Rustig.

"Wij hadden afgesproken dat je nu zou beginnen. Wat heb je nodig om te starten?"
Of soms gewoon:
"Telefoon weg. We gaan verder.

Je hoeft van iedere correctie geen groot gesprek te maken.
Zeg liever een paar dingen die je echt belangrijk vindt en wees daar vervolgens helder in.
Zo weet een groep beter waar hij aan toe is.

Begin een lastig gesprek bij wat er echt gebeurd is

Een student komt voor de derde keer een afspraak niet na. Je bent geïrriteerd. Begrijpelijk.
Toch helpt het meestal niet om te beginnen met:
"Jij neemt dit echt niet serieus."

Begin bij wat je weet.
"We hadden drie afspraken. Bij alle drie was je er niet."

En vraag daarna:
"Wat is er aan de hand?"

Misschien ontstaat er een goed gesprek. Misschien moet je gewoon een duidelijke grens stellen. En soms blijkt dat er iets speelt waar een mentor, studieloopbaanbegeleider of andere collega bij nodig is.

Begin bij wat er werkelijk is gebeurd. Dat geeft meestal een beter gesprek dan beginnen bij je eigen conclusie.

Trek weerstand niet meteen naar jezelf toe

"Wat een onzinopdracht."
"Ik ga dit echt niet doen."

Of gewoon een diepe zucht zodra jij begint.

Als je nog niet zo lang lesgeeft, kan zoiets behoorlijk binnenkomen. Probeer jezelf even tijd te geven voordat je reageert.

Wat gebeurt hier eigenlijk? Is de opdracht onduidelijk? Probeert iemand een grens uit? Of moet je gewoon rustig zeggen dat de opdracht wél gedaan moet worden?

Je kunt duidelijk zijn zonder er meteen een persoonlijk gevecht van te maken. En merk je dat iets je blijft bezighouden, bespreek het dan later eens met een collega.

Je hoeft als docent niet ongevoelig te worden. Wel helpt het als je niet iedere reactie van een leerling als een oordeel over jou ziet.

Je mag goed contact hebben en toch duidelijk blijven

Je maakt een grap met een leerling, hebt een goed gesprek en moet hem vijf minuten later aanspreken omdat hij een afspraak niet nakomt.

Dat kan prima. Goed contact betekent niet dat alles kan.
Zeg wat nodig is.

"Dit hadden we anders afgesproken."
of:
"Ik snap dat je er geen zin in hebt, maar we gaan het wel doen."

Zonder van iedere correctie een lang gesprek te maken.

Leerlingen mogen merken dat je belangstelling voor hen hebt én dat jij verantwoordelijkheid neemt voor wat er in de groep gebeurt. Juist die combinatie geeft vaak veel duidelijkheid.

Zet de ander aan het werk

Wie moet leren, moet ook zelf aan het werk.
Dat klinkt logisch, maar in een les kan het zomaar gebeuren dat jij als docent het meeste praat, denkt, uitlegt en oplost.

Kijk daarom geregeld naar de verdeling: wat doe jij en wat laat je bewust bij de leerling?

Na jouw uitleg moet de ander aan het werk

Een goede uitleg voelt prettig. Je verhaal loopt, leerlingen luisteren en niemand stelt een vraag.
Mooi. Maar je weet dan nog niet of ze het kunnen. Daar kom je pas achter wanneer ze er zelf iets mee moeten doen.

Laat leerlingen daarom na je uitleg aan de slag gaan. Iets uitvoeren, een vraag oplossen, een keuze maken, een voorbeeld beoordelen of aan iemand anders uitleggen wat ze hebben begrepen.

Loop daarna rond en kijk.
Wie kan verder? Wie twijfelt? Waar wordt dezelfde fout gemaakt? Wie kan vertellen waarom hij iets op deze manier doet?

Je hoeft niet te wachten op een toets om te ontdekken of er geleerd is.
Geef leerlingen tijdens je les al de kans om het te laten zien.

Samenwerken is niet automatisch samen leren

Vier leerlingen zitten keurig bij elkaar.
Eén werkt. Eén kijkt mee. En twee hebben vooral een prima gesprek.
Op papier is dit een samenwerkingsopdracht. Maar wie leert er?

Maak bij samenwerken duidelijk wat leerlingen samen moeten bereiken én wat ieder na afloop zelf moet weten of kunnen. Verdeel rollen als dat helpt. Stel tijdens het werken vragen aan verschillende groepsleden. Laat achteraf niet altijd dezelfde leerling vertellen wat de groep heeft gedaan.

Samenwerkend leren kan heel krachtig zijn.
Maar alleen vier stoelen bij elkaar schuiven is nog geen activerende didactiek.
Kijk vooral wie denkt, beslist, uitlegt en uitvoert.

Wie werkt er eigenlijk het hardst in jouw les?

Je hebt uitgelegd, vragen beantwoord, leerlingen op gang geholpen, materiaal gezocht en tussendoor nog een paar problemen opgelost. Aan het einde van de les ben jij behoorlijk moe.

Kijk eens terug.
Wie heeft in die les het meeste nagedacht, geprobeerd, gekozen, uitgelegd en opgelost?
Als jij dat vooral was, kun je misschien iets anders organiseren.

Laat leerlingen eerst zelf proberen. Laat ze overleggen. Vraag wat ze al weten voordat jij uitlegt. Laat iemand zijn aanpak verwoorden voordat jij hem helpt.

Bij Mentoris noemen we dat soms met een knipoog de 'luie docent'.
Niet omdat je weinig doet. Je organiseert het leren zo dat degene die moet leren ook degene is die aan het werk gaat.

Van voordoen naar steeds zelfstandiger doen

Wanneer iemand iets nieuws leert, is het logisch dat jij in het begin veel doet. Je legt uit, doet voor en begeleidt tijdens het oefenen. Maar er komt ook een moment waarop je iets kunt loslaten.

Kijk daarom niet alleen naar waar een leerling nog hulp bij nodig heeft, maar ook naar wat inmiddels zonder jou lukt. Misschien hoef je niet meer iedere stap voor te zeggen. Misschien is één vraag voldoende. Of kun je iemand een hele taak zelfstandig laten uitvoeren en daarna samen terugkijken.

Je begeleiding verandert mee met degene die leert. En het is eigenlijk best een mooi moment wanneer jij merkt dat je iets minder nodig bent dan een paar maanden geleden.

Kijk eerst even voordat je helpt

Een leerling steekt zijn hand op.
"Het lukt niet."

Voor je begint uit te leggen, kijk eerst even.
Wat ligt er al? Wat heeft de leerling geprobeerd? Waar lijkt het precies mis te gaan?

Vraag bijvoorbeeld
"Waar loop je vast?"

Soms blijkt één kleine aanwijzing voldoende. Niet iedere hulpvraag vraagt om een nieuwe uitleg.

En soms ontdekt een leerling zelf de oplossing terwijl jij nog onderweg bent naar zijn tafel. Geef die ruimte ook. Zelfstandiger worden lukt moeilijk als wij als docent steeds nét iets sneller zijn met het antwoord.

De docent als leercoach

Als leerlingen steeds meer zelf kunnen, verandert ook jouw rol.

Je hoeft niet ieder probleem op te lossen of iedere volgende stap voor te zeggen. Soms helpt uitleg, soms een goede vraag en soms vooral even luisteren.

Geef niet meteen het antwoord

"Is dit goed?"
Een eenvoudige vraag. En jij ziet waarschijnlijk direct het antwoord.

Probeer soms eens terug te vragen:
"Wat denk je zelf?"
of:
"Waar zou je dit aan kunnen controleren?"

Niet iedere keer. Soms heeft een leerling gewoon een antwoord of uitleg nodig.
Maar als je altijd onmiddellijk zegt wat goed of fout is, leert iemand ook om steeds naar jou te kijken.

Help de leerling daarom af en toe zelf te onderzoeken waar hij staat. Daarna kun jij altijd nog aanvullen.

Vraag eerst waar iemand precies vastloopt

"Het lukt niet."
Daar kun je nog alle kanten mee op.

Vraag door.
"Wat lukt precies niet?"
"Tot waar kwam je wel?"
"Wat heb je al geprobeerd?"
"Waar begon je te twijfelen?"

De antwoorden vertellen je vaak hoeveel hulp nodig is.
Misschien ontbreekt kennis. Misschien is één stap niet duidelijk. Of iemand weet eigenlijk wel wat hij moet doen, maar durft niet verder.

Laat een leerling het probleem eerst zelf onder woorden brengen.
Dat helpt jou bij het begeleiden en vaak krijgt de leerling daardoor zelf ook beter zicht op wat er precies aan de hand is.

Vraag eerst wat iemand zelf van zijn werk vindt

Je ziet een opdracht en hebt meteen van alles wat je wilt teruggeven. Probeer eerst iets anders.

Vraag:
"Waar ben je zelf tevreden over?"
"Wat vond je lastig?"
"Als je dit opnieuw zou doen, wat zou je anders aanpakken?"

Luister.
Soms noemt een leerling precies dezelfde dingen als jij. Soms helemaal niet.
Daarna kun je jouw feedback toevoegen.

Zo leert iemand niet alleen wachten op het oordeel van de docent, maar ook zelf naar zijn werk en handelen te kijken. Dat heeft hij later nodig, juist op momenten waarop jij er niet naast staat.

Laat de leerling zelf de volgende stap benoemen

Na een gesprek is het verleidelijk om af te sluiten met jouw oplossing.
"Dus dan ga jij voortaan…"

Vraag in plaats daarvan eens:
"Wat ga jij nu doen?"
of:
"Wat zou voor jou een goede volgende stap zijn?"

Misschien moet je helpen om die stap kleiner of concreter te maken. Prima.
Maar laat de leerling waar dat kan zelf woorden geven aan wat hij gaat proberen.

Daarmee leg je niet ineens alle verantwoordelijkheid bij hem neer. Je helpt hem wel om steeds meer verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen leren.

Je hoeft niet ieder probleem zelf op te lossen

Een student vertelt je iets waar hij mee zit. Natuurlijk luister je.
Maar betrokken docenten kunnen daarna gemakkelijk het gevoel krijgen dat zij het hele probleem moeten oplossen. Dat hoeft niet.

Kijk wat binnen jouw rol past. Kun je helpen met plannen? Een afspraak maken? Samen een eerste stap bedenken? Prima! Maar soms is een mentor, studieloopbaanbegeleider, zorgprofessional of andere collega nodig. Dat is geen leerling afschuiven.

Bij professioneel begeleiden hoort ook dat je weet waar jouw rol ophoudt en wanneer iemand anders beter kan helpen.

Kijken wat iemand werkelijk leert en kan

Je hebt uitgelegd, leerlingen hebben geoefend en er is werk ingeleverd. Maar hoe weet je nu wat iemand werkelijk begrijpt of beheerst?

Door goed te kijken, vragen te stellen, feedback te geven en een manier van beoordelen te kiezen die past bij wat je wilt weten.

Gebruik het oefenen om te zien wat leerlingen al kunnen

Een klas die rustig werkt, ziet er prettig uit. Maar rust vertelt nog niet wat leerlingen leren.

Loop daarom eens rond zonder meteen overal hulp te geven. Kijk wat leerlingen doen en luister naar wat ze tegen elkaar zeggen. Welke keuzes maken ze? Waar blijven ze hangen? Welke fout komt vaker terug? Wie voert keurig de stappen uit, maar weet eigenlijk niet waarom?

Stel af en toe een korte vraag:
"Waarom doe je dit zo?"
"Wat is nu je volgende stap?"
"Waar twijfel je over?"

Met wat je ziet, kun je tijdens de les al bepalen wat er nog nodig is.

Geef feedback waar iemand nú iets mee kan

Een leerling maakt een opdracht, levert hem in en hoort twee weken later wat beter had gekund.
Die feedback kan nuttig zijn, maar voor deze opdracht komt hij behoorlijk laat.
Zoek daarom ook tijdens het leren momenten waarop je iets kunt teruggeven.

Bekijk een eerste versie. Loop mee tijdens een handeling. Luister naar de uitleg van een leerling. Benoem wat al goed gaat en waar iemand nog op kan letten. En laat hem daarna weer verder werken.

Een handige vraag voor jezelf is:
Kan deze leerling nu nog iets doen met wat ik zeg?

Als het antwoord ja is, komt je feedback waarschijnlijk op een bruikbaar moment.

Een fout kan je veel vertellen

Wanneer iets fout gaat, kun je natuurlijk meteen vertellen wat het goede antwoord of de juiste werkwijze is.

Vraag eerst eens hoe iemand het heeft aangepakt.
Misschien waren de eerste stappen prima en ging het pas halverwege mis. Misschien ontbreekt één begrip. Of de leerling heeft iets op een heel begrijpelijke manier verkeerd geïnterpreteerd.
Dan weet je veel beter waar nog hulp nodig is. Dat geldt bij een theoretische vraag, maar net zo goed in een praktijkles.

Een fout hoeft dus niet altijd zo snel mogelijk weggewerkt te worden. Kijk er eerst eens goed naar. Er zit vaak bruikbare informatie in.

Vertel vooraf waarop je gaat letten

Een leerling werkt hard aan een opdracht en ontdekt na afloop pas wat jij eigenlijk belangrijk vond bij de beoordeling. Dat kun je voorkomen.

Vertel vooraf waarop je let.
Wat moet iemand laten zien? Welke onderdelen zijn belangrijk? Hoe ziet goed werk eruit?

Dat kan met criteria, een rubric, een voorbeeld of gewoon door het samen te bespreken.
Hoe duidelijker dat vooraf is, hoe beter een leerling tijdens het werken zelf kan kijken:
Doe ik wat er van mij gevraagd wordt?

Het helpt jou later ook bij het geven van feedback en het beoordelen.
De spelregels zijn dan niet pas na afloop bekend.

Kijk bij beoordelen naar wat iemand daadwerkelijk laat zien

"Hij is hier gewoon niet zo goed in."

Pas op met zo'n conclusie.
Kijk bij een beoordeling zo precies mogelijk naar wat iemand in deze opdracht of situatie laat zien.
Welke kennis wordt zichtbaar? Welke handeling beheerst hij? Waar voldoet het werk nog niet aan? Wat ontbreekt?

"Je kunt dit niet" biedt weinig aanknopingspunten.
"Deze twee stappen voer je goed uit, maar bij de derde stap ontbreekt…" vertelt veel meer.

Een beoordeling mag duidelijk zijn. Ook wanneer iets onvoldoende is.
Zorg vooral dat de leerling kan begrijpen waar die beoordeling op is gebaseerd.

Kies een beoordeling die past bij wat je wilt weten

Wil je weten of een leerling een handeling goed kan uitvoeren?
Dan vertelt een schriftelijke kennistoets je niet het hele verhaal.

Wil je juist weten of iemand belangrijke kennis paraat heeft? Dan hoef je misschien niet meteen een uitgebreide praktijkopdracht te organiseren. Begin daarom bij wat je wilt beoordelen.

Gaat het om kennis? Een vaardigheid? Een beroepsproduct? Of om de afweging die iemand in een situatie moet kunnen maken? Kies daarna een manier waarop een leerling dat ook werkelijk kan laten zien.

Soms zijn we zo gewend aan de toets die er al ligt, dat we vergeten deze vraag nog te stellen.

Kan iemand het ook als de situatie net iets anders is?

Een leerling heeft precies geoefend wat jij hebt voorgedaan.
En hij kan het. Mooi.

Verander daarna eens iets kleins.
Gebruik een ander voorbeeld. Ander materiaal. Een iets andere praktijksituatie. Of geef niet alle informatie vooraf.

Kijk wat er gebeurt.
Kan de leerling zelf bepalen welke kennis of aanpak nodig is?

In de praktijk loopt een situatie zelden precies zoals in het oefenboek. Daarom wil je uiteindelijk niet alleen weten of iemand jouw stappen kan herhalen, maar ook of hij het geleerde kan gebruiken wanneer de werkelijkheid een beetje anders is.

Waar sta je nu en waar wil je verder in groeien?

Blijven groeien als onderwijsprofessional

Niet alleen je leerlingen zijn aan het leren.

Ook jij ontdekt onderweg steeds beter wat voor docent je bent, wat goed werkt in jouw lessen en waar je nog in wilt groeien.

Daar hoef je niet iedere week een uitgebreid reflectieverslag voor te schrijven. Af en toe bewust terugkijken kan al veel opleveren.

Kijk na je les naar het effect van wat jij deed

Na een les denken we gemakkelijk: 
Mijn uitleg duurde te lang.
Ik was vandaag niet helemaal scherp.
Die opdracht liep lekker.

Dat is nuttig. Maar kijk ook eens naar de andere kant.
Wat gebeurde er bij je leerlingen?
Wanneer gingen ze echt aan het werk? Waar haakten ze af? Wanneer kwamen goede vragen? Welk onderdeel bleek lastiger dan je had verwacht?

Soms voelt een les voor jou wat rommelig, terwijl leerlingen ondertussen prima hebben gewerkt.
En soms heb jij het gevoel dat je prachtig hebt uitgelegd, maar weet bij het oefenen bijna niemand hoe hij moet beginnen.

Kijk dus niet alleen naar hoe de les voor jou voelde. Kijk ook naar wat jouw handelen bij de leerlingen teweegbracht.

Kies één ding waarin jij wilt groeien

Als je een tijdje voor de groep staat, weet je steeds beter wat gemakkelijk gaat en wat nog aandacht vraagt.
Misschien praat je tijdens je uitleg wat lang. Wacht je soms te lang met ingrijpen. Of wil je leerlingen vaker eerst zelf laten nadenken voordat jij helpt.

Kies één ding. Niet meteen een heel lijstje.
Eén concreet aandachtspunt waar je een paar weken bewust op let.
Vraag eventueel een collega eens mee te kijken.

Professionaliseren hoeft niet groot te beginnen.
Eén klein onderdeel beter leren zien kan al verrassend veel opleveren.

Je hoeft het onderwijs niet alleen uit te vinden

Bespreek eens met een collega een les, een praktijksituatie of iets waar je in de begeleiding tegenaan bent gelopen.

Wat zag jij gebeuren?
Hoe kijkt je collega ernaar?
Welke aanpak werkte goed en wat zou je misschien anders kunnen proberen?

Dat hoeft geen formele lesobservatie of lang overleg te zijn. Soms is een kwartier samen terugkijken al genoeg om iets te zien waar je zelf nog niet aan had gedacht.

Zeker wanneer je nog niet zo lang in het onderwijs werkt, is het prettig om niet alles alleen te hoeven ontdekken. Er zit ontzettend veel ervaring in een schoolteam. Maak daar gebruik van.

Kijk terug naar wat in jouw lessen werkte

Na verloop van tijd heb je een flinke hoeveelheid ervaringen verzameld.
Sommige lessen liepen precies zoals je hoopte. Andere heel anders.
In allebei zit informatie.

Denk eens terug aan een les waarin je duidelijk zag dat leerlingen goed aan het leren waren.
Wat gebeurde daar? Hoe had je de uitleg of opdracht opgebouwd? Wat deed jij? En wat liet je juist bij hen?

Kijk daarna ook eens naar een les die minder lekker liep. Niet om jezelf achteraf de maat te nemen, maar om te begrijpen wat je een volgende keer kunt proberen.

Ervaring opdoen is belangrijk. Af en toe bewust naar die ervaring kijken maakt haar een stuk bruikbaarder.

Rond ook met je groep bewust af

Een periode, project of schooljaar eindigt vaak in hoog tempo.
Laatste opdrachten, beoordelingen, spullen opruimen en door naar het volgende.

Neem toch af en toe even tijd om met de groep terug te kijken.
Wat hebben jullie geleerd? Wat kunnen leerlingen inmiddels zelfstandiger? Waar moesten jullie in het begin aan wennen? Wat ging gaandeweg steeds beter?

Je hoeft daar geen groot afsluitend programma van te maken.
Een paar goede vragen en een kort gesprek kunnen al voldoende zijn.

Een groep heeft samen tijd doorgebracht, gewerkt en geleerd.
Daar mag je best even bij stilstaan voordat iedereen weer verdergaat.

Waar sta je nu en waar wil je verder in groeien?

Denk eens terug aan je eerste periode voor de groep. Aan de dingen waar je toen onzeker over was en alles waar je heel bewust over moest nadenken.
Wat gaat inmiddels gemakkelijker?
Waar ben je duidelijker in geworden?
Wat zie je sneller bij een groep of bij een individuele leerling?
En wat vind jij steeds belangrijker in goed onderwijs?

Kijk daarna ook vooruit.
Wat wil je verder ontwikkelen? Eén of twee dingen is genoeg.

Bij Mentoris keren we tijdens de opleiding regelmatig terug naar twee eenvoudige vragen:
Waar sta ik nu? En waar ga ik heen?

Ook na je opleiding blijven dat goede vragen om jezelf af en toe te stellen.

Wil je verder groeien voor de groep?

De tips op deze pagina helpen je bij situaties die je in je dagelijkse werk kunt tegenkomen. Soms is een tip genoeg om iets anders te proberen. En soms wil je wat langer stilstaan bij jouw rol, je lessen of je verdere ontwikkeling.

Loop je als starter ergens tegenaan?
Bij Coaching in je rol kijk je samen met een ervaren coach naar situaties uit jouw eigen onderwijspraktijk. Bijvoorbeeld wanneer je meer regie wilt krijgen in een groep, duidelijker wilt communiceren of wilt onderzoeken wat in jouw lessen wel en niet werkt.

Wil je je pedagogisch-didactisch breder ontwikkelen?
Dan kun je bij Mentoris ook een opleiding volgen. Praktisch, dicht bij je eigen onderwijspraktijk en gericht op wat je nodig hebt om leerlingen of studenten goed te laten leren.

En uiteraard kun je altijd contact met ons opnemen met al je vragen. 

-->